Tussenvonnis Hawija-zaak: Rechter eist meer transparantie van Defensie

Op 17 januari 2024 heeft de rechtbank in Den Haag besloten dat de Nederlandse staat toelichting moet geven en geheime documenten moet aanleveren over het Nederlandse bombardement op de Noord-Iraakse stad Hawija in 2015, waarbij minimaal 85 burgerdoden vielen. Dit is het tussenvonnis in een historische rechtszaak waarin Iraakse burgers de Nederlandse staat verantwoordelijk houden voor de schade die hun is berokkend tijdens de oorlog tegen ISIS. Dit is wereldwijd de eerste zaak ooit over het militair optreden van de anti-ISIS-Coalitie, waar onder andere de VS, het VK, Frankrijk en Nederland aan deelnamen. Het is een toonbeeld van een krachtige rechtsstaat dat slachtoffers van Nederlandse bombardementen hun claims voor een Nederlandse rechtbank kunnen neerleggen en dat de rechter meer transparantie van Defensie eist. Want de wijze waarop instituties van diezelfde staat, zoals Defensie en de landsadvocaat, zich herhaaldelijk hebben verhult in ontkenning en geheimhouding, ondermijnt niet alleen de democratische en juridische controle op geweld, maar draagt actief bij aan de kwetsbaarheid van burgerslachtoffers wereldwijd.

Rookgordijn over burgerslachtoffers in Hawija

Vanaf het begin van de oorlog tegen ISIS in 2014 benadrukken Defensie en haar coalitiegenoten hoe ze hoogwaardige technologie en zorgvuldige procedures hanteren om te allen tijde burgerslachtoffers te voorkomen. Defensie hield jaren vol dat er geen burgerslachtoffers waren gevallen door Nederlands toedoen. In 2019 brachten NRC en NOS echter aan het licht dat een aanval van Nederlandse F16s op een ISIS bommenfabriek in Hawija in 2015 tot enorme schade had geleid. Er lagen zoveel explosieven in de munitiedepot opgeslagen, dat de luchtaanval secundaire explosies veroorzaakte die een woonwijk geheel verwoestten. Toen Defensie niet meer kon ontkennen dat ze verantwoordelijk was voor de aanval, hield ze het burgerslachtofferrapport dat de VS meteen na de aanval met Defensie had gedeeld, geheim. Toen het rapport alsnog openbaar werd via een Wob-verzoek en daarin 70 burgerslachtoffers werden genoemd, hield Nederland vol dat de VS eigenlijk ook niet precies kon weten hoeveel burgers er waren omgekomen door „het ontbreken van onderzoeksmogelijkheden op de grond”. In reactie hierop heeft het Intimacies of Remote Warfare onderzoeksteam aan de Universiteit Utrecht samen met Iraakse ngo Al-Ghad en Nederlandse ngo Pax for Peace het burgerleed in Hawija anderhalf jaar ter plekke onderzocht. Wij concludeerden dat meer dan 85 burgerslachtoffers omkwamen, en honderden ernstig gewond raakten.

(Geheime) zorgvuldige berekening van slachtoffers

Als in oktober 2023 overlevenden uit Hawija afreizen naar Den Haag om via een rechtszaak erkenning en een schadevergoeding te eisen, geeft de landsadvocaat toe dat Defensie vooraf niet wist hoeveel explosieven er in het depot lagen opgeslagen. Wel is van tevoren een zeer ‘nauwkeurige’ voorspelling gemaakt over de mogelijke impact van een secundaire explosie en de kans op burgerslachtoffers. Dit op basis van ‘geavanceerde’ computersystemen, de allerbeste ‘intelligence’ en jarenlange ervaring met gelijkwaardige doelwitten in Afghanistan en Irak. Zo voorspelde Defensie dat de secondaire explosie in de hoogte en niet in de breedte zou plaatsvinden en dat de kans op burgerslachtoffers in het dichtbevolkte industrieterrein daarom “nul” was. Hun pleidooi: “met de kennis van toen was de aanval legitiem en proportioneel en daarom is de Staat juridisch niet aansprakelijk voor de impact van de onvoorziene en ongeëvenaarde secundaire explosies”. Echter, als de rechter verzoekt deze zorgvuldige inlichtingen en berekeningen als bewijs te delen, blijkt deze informatie wederom ‘geheim’ te zijn. De rechter neemt hier nu in haar tussenvonnis geen genoegen mee. De rechtbank beveelt de staat een aantal stukken en het geheime dossier van de Nederlandse ‘Red Card Holder’ – de senior militair die aanvallen vooraf moet goedkeuren – aan te leveren. Of de staat die documenten al dan niet terecht geheim wilde houden, zal door een aparte afdeling van de rechtbank worden beoordeeld.

Burgerslachtoffers in Hawija zijn geen incident

Je vraagt je misschien af: waarom doet dit alles er nog toe? Waarom zouden wij ons bezig moeten houden met één burgerslachtofferincident in Irak dat door Nederland is veroorzaakt als er nu veel meer burgers worden gedood door anderen in Oekraïne, Israël en Gaza? Omdat de bommen op Hawija slechts een fractie waren van de ruim 120.000 bommen die de anti-ISIS Coalitie heeft afgevuurd in de strijd tegen ISIS. Deze hebben volgens NGO Airwars tot ruim 11.837 niet erkende burgerslachtoffers geleid. Als we verder uitzoomen, zijn er volgens The Cost of War programme (Brown University) minstens 186.694 burgers omgekomen als gevolg van de door Nederland militair gesteunde invasie in Irak in 2003. Twintig jaar NAVO-optreden in Afghanistan heeft nog eens 46.319 burgers het leven gekost. 

Waar het Nederlandse militaire apparaat en haar Westerse bondgenoten de afgelopen twintig jaar vooral zeer zorgvuldig in zijn geworden, is deze burgerslachtoffers buiten het politieke debat en de rechtszaal houden. We zien in de zaak-Hawija welke strategieën ze hiervoor inzetten. Dit is een gevaarlijk spel. Als er geen democratische of juridische aansprakelijkheid komt ten aanzien van deze burgerslachtoffers, geven we ons eigen leger en daarmee inherent die van andere naties vrij spel om burgers aan te vallen. Dit zal alleen maar leiden tot meer vergelding, geweld en onveiligheid voor burgers overal ter wereld.

Belangrijke rol van Nederland

Ik ben daarom trots dat de eerste rechtszaak tegen de anti-ISIS-coalitie in Nederland plaatsvindt, dankbaar voor alle onderzoeksjournalisten, ngo’s, wetenschappers, en advocaten die dit mogelijk maken en hoopvol over het feit dat rechters nu openheid van zaken eisen. Dit is wat Nederland uniek maakt wanneer we het hebben over burgerslachtoffers in oorlog. Zij mogen nooit uit het oog worden verloren en wij moeten ons hiervoor blijven inzetten via onze democratische rechtsstaat.